empty
empty
Etiket van knakworsten met e-nummers
Tomaat met injectiespuit

E-nummers

Wat zijn E-nummers?

E-nummers zijn nummers die worden toegekend aan additieven (toevoegingen). Additieven worden toegevoegd aan voedingsproducten om één of meerdere eigenschappen te verbeteren, bijvoorbeeld de smaak, kleur of houdbaarheid. Additieven hebben geen voedingswaarde.

Welke soorten E-nummers zijn er?

E-nummers kunnen we in drie groepen verdelen: natuurlijke stoffen, natuur-identieke stoffen en synthetische stoffen.

» Natuurlijke stoffen komen van bijvoorbeeld planten en fruitsoorten. Voorbeelden zijn E330 (uit citroen), E300 (bekend als vitamine C) en E100 (gele kleurstof uit de geelwortel). Een groot deel van alle E-nummers zit van nature al in voedsel.
» Natuur-identieke stoffen zijn stoffen die in de natuur voorkomen, maar goedkoper en met een identieke structuur in een laboratorium gemaakt worden. Een voorbeeld is appelzuur E296 dat kunstmatig wordt gemaakt, maar ook uit een natuurlijke bron kan komen.
» Synthetische stoffen. Deze worden in het laboratorium gemaakt en komen niet in de natuur voor. Voorbeelden zijn het omstreden E102 Tartrazine en E131 Patentblauw (felgele en blauwe kleurstof in snoepgoed) en E955 Sucralose (zoetstof).

Wat zijn de meest voorkomende E-nummers?

» Kleurstoffen (E100–E180): geven een product de gewenste kleur.
» Conserveermiddelen (E200–E252): maken het product langer houdbaar.
» Voedingszuren (E260–E297 en E322–E385): zorgen voor een betere werking van de antioxidanten en kleurstoffen, en verlagen de pH-waarde, het product wordt dus minder zuur.
» Antioxidanten (E300–E321): maken het product langer houdbaar.
» Geleermiddelen, stabilisatoren, emulgatoren en verdikkingsmiddelen (E400–E495): geleermiddelen zorgen voor de structuur van een product, emulgatoren zorgen ervoor dat een hydrofiele en hydrofobe stof kunnen mengen, stabilisatoren houden het mengsel bij elkaar en verdikkingsmiddelen verdikken de structuur van het product.
» Smaakversterkers (E620–E650): versterken de smaak van het product.

Welke hoeveelheid van een additief (toevoeging) is veilig?

Voor een additief die in aanmerking komt voor een E-nummer wordt eerst de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) vastgesteld. Dit is de hoeveelheid die men elke dag gedurende zijn/haar hele leven via de voeding binnen mag krijgen, zonder dat het gevolgen heeft voor de gezondheid.

Om ervoor te zorgen dat de ADI niet wordt overschreden, mag een toevoeging meestal maar aan een beperkt aantal producten worden toegevoegd. Bovendien wordt vastgesteld:

» Voor welke levensmiddelen de stof noodzakelijk is.
» Hoeveel van de toevoeging mag worden toegevoegd.
» Wat de kleinste hoeveelheid is waarmee het gewenste effect (kleur, smaak, houdbaarheid, etc.) kan worden bereikt.

Deze maatregelen zijn ter voorkoming van het teveel binnenkrijgen van toevoegingen.

Wat doet de Europese autoriteit?

Veilige toevoegingen krijgen van de overheid een E-nummer. Het is een garantie dat de Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) de stoffen gecontroleerd heeft op veiligheid en deze heeft goedgekeurd.

De EFSA beoordeelt onderzoeken die nieuwe inzichten geven over een bestaand E-nummer. Soms blijken de gevolgen voor de gezondheid positiever of negatiever te zijn. Op basis daarvan wordt de ADI dan verlaagd of verhoogd of de toevoeging mag aan minder of meer levensmiddelen worden toegevoegd. Ten aanzien van een aantal E-nummers is er sprake van ongerustheid bij veel mensen. Aspartaam, kleurstoffen en smaakversterkers staan regelmatig ter discussie. De EFSA evalueert deze stoffen om de paar jaar.

Zijn additieven met E-nummers schadelijk?

Additieven met E-nummers hebben een negatief imago. Ze zouden schadelijk zijn voor onze gezondheid. Maar de waarheid is dat additieven dan wel geen voedingswaarde hebben, maar ook niet schadelijk zijn in de hoeveelheden die wij eten. De ADI ligt ongeveer 100 keer lager dan de hoeveelheid waarbij proefdieren nog net geen schade opliepen van het desbetreffende additief. Een toevoeging kan schadelijk zijn, maar alleen als men het in enorm grote hoeveelheden eet, wat bijna onmogelijk is.

Wel is het bij de EFSA bekend dat sommige additieven overgevoeligheidsreacties bij mensen kunnen veroorzaken. Toevoegingen zijn niet schadelijk, maar kunnen dus wel klachten veroorzaken. Een aantal risicogroepen loopt daarbij een verhoogde kans, namelijk diabetici, mensen met overgewicht en mensen die veel kant-en-klaar maaltijden en snoep eten, vanwege de smaak- en kleurstoffen.

Om er helemaal zeker van te zijn of iets wel of niet een reactie kan geven moet een toevoeging getest worden in dubbelblinde studies: beide partijen weten niet wie wat krijgt. Dan pas is er sprake van zuivere resultaten. Vaak denken mensen dat E-nummers alleen voor synthetische additieven zijn, maar 80 procent van alle E-nummers zijn voor toevoegingen die van nature al in voeding aanwezig zijn.

Mensen met PKU of met een overgevoeligheid voor sulfiet moeten sommige E-nummers mijden.

» PKU: mensen met de aangeboren stofwisselingsziekte PKU kunnen het aminozuur fenylalanine uit aspartaam niet verteren. Op producten met aspartaam (E951 en E962) staat daarom de waarschuwing ‘bevat een bron van fenylalanine’.
» Sulfietallergie: mensen met overgevoeligheid voor sulfiet moeten producten mijden met zwaveldioxide (E220) en kalium-bi-sulfiet (E228).

Hoe zijn E-nummers op functie ingedeeld?

Toevoegingen hebben altijd een functie in een product. Soms hebben ze meer dan één functie en vallen daarom onder meerdere groepen tegelijk.

Rubriek E-nummers Functie
Antiklontermiddelen E500–E586 Gaan het samenklonteren tegen van poedervormige levensmiddelen. Ze komen onder andere voor in poedersuiker, zout en soeppoeder.
Antioxidanten E301–E321 Beschermen tegen aantasting door de zuurstof in de lucht, waardoor smaakbederf wordt tegengegaan. Ze komen onder andere voor in slasaus, mayonaise en koekjes.
Antischuimmiddelen E431–E495, E551–E556 Voorkomen dat een product gaat schuimen tijdens bereiding of gebruik. Ze komen onder andere voor in soep en ananassap.
Complexvormers E574–E579 Zorgen ervoor dat metaalionen niet verstorend in het product kunnen werken. Het zit bijvoorbeeld in frisdranken, kaas en sausen.
Conserveermiddelen E200–E290, E334–E337 Gaan bederf door bacteriën en schimmels tegen. Ze verlengen de houdbaarheid. Ze komen in veel productsoorten voor.
Dragerstoffen E559, E1202 Helpen onder andere bij het oplossen van bepaalde stoffen, zoals in oplosdranken en wijn.
Drijfgassen E938–E949 Gassen die in verpakkingen voor druk zorgen: als men op de opening drukt, komt het product eruit. Bijvoorbeeld bij slagroom in een spuitfles.
Emulgatoren E322, E422–E495 Maken het mogelijk vet en water te vermengen tot één geheel (emulsie). Ze komen voor in onder andere slasaus, mayonaise en margarine.
Geleermiddelen E400–E473 Verdikkingsmiddelen voor het steviger maken van vruchtenproducten zoals jam en toetjes.
Glansmiddelen E900–E914 Geven een glanzend laagje. Dit is meestal een dun laagje was. Ze zitten op rozijnen en sommige snoepjes.
Klaarmiddelen E1202 Stoffen die worden gebruikt voor het helder maken van dranken, zoals bier en wijn.
Kleurstoffen E100–E180 Worden gebruikt voor het kleuren van levensmiddelen. Ze zitten onder meer in aardbeienjam, gekonfijte kersen, vruchtenyoghurt, snoepjes, margarine, vanillevla, krentenbrood en advocaat.
Meelverbeteraars E920–E928 Worden aan meel of deeg toegevoegd om de bakeigenschappen te verbeteren of om meel witter te maken.
Metaalbinders E574–E579 Binden losse moleculen van metalen en voorkomen zo dat deze moleculen giftig kunnen zijn of het product veranderen. Ze zitten onder andere in sauzen, ingeblikte groenten en mayonaise.
Rijsmiddelen E500–E541 Laten het deeg rijzen. Ze zitten in zelfrijzend bakmeel, cakemeel en bakpoeder.
Smaakversterkers E620–E650 Versterken de smaak en zitten bijvoorbeeld in soep in blik, soep in droge vorm, sojasaus (ketjap), worst en verschillende snacks.
Stabilisatoren E220–E228, E400–E452 Stabiliseren de toestand waarin een product verkeert. Ze voorkomen bijvoorbeeld het uitdrogen bij vleeswaren, vooral bij ham. In consumptie-ijs gaan ze de vorming van ijskristallen tegen. Ze zitten onder meer in mayonaise, slasaus, vleeswaren, ijs en chocolademelk.
Verdikkingsmiddelen E400–E469, E551–E556, E1404–E1452 Maken het product steviger (een soort bindmiddel). Ze zitten in puddinkjes, ijs, slasaus, halvarine, toetjes, advocaat en halva-jam.
Verpakkingsgassen E938–E949 Zorgen ervoor dat het product goed blijft. Op de verpakking staat dan vaak: ‘Verpakt onder beschermende atmosfeer’.
Voedingszuren E260–E297, E325–E363 Verlagen de zuurgraad (pH). Daarmee wordt het product zuurder. Versterken de werking van antioxidanten en conserveermiddelen en gaan verkleuring tegen. Ze zitten onder andere in jam, vruchtensap, slasaus, augurken in het zuur, vruchten in blik en zure melkproducten.
Vulstoffen E170 Worden soms in medicijnen en voedingssupplementen (capsules/tabletten) gebruikt. Daar zit dan maar een paar milligram actieve stof in. De vulstof zorgt voor volume.
Zetmeel (gemodificeerd) E1404–E1452 Wordt gebruikt als verdikkingsmiddel, stabilisator, emulgator of bindmiddel. Het zit onder meer in soepen, sauzen, specerijen, vegetarische producten, deegwaren, snoep, koek en bewerkt vlees.
Zoetstoffen E420–E421, E953–E968 Worden toegevoegd om producten zoeter te maken.
Zuurteregelaars E500–E530 Reguleren de zuurtegraad van een product. Ze zorgen voor een zuurdere of minder zure smaak. Ze zitten in ijs, melkproducten met vruchtensap en vleeswaren.

Het woord 'facts' met een 
		  vergrootglas erboven.

80 procent van alle
E-nummers zit van nature al in voeding.